Gezondheid

Of uw Zwitserse Witte Herder gezond is kunt u gelukkig in de meeste gevallen zelf bepalen. Als de hond fit oogt, goed eet en drinkt en normale ontlasting heeft dan hoeft u zich over het algemeen geen zorgen te maken. Denkt u dat uw hond iets onder de leden heeft, dan is het handig om te weten dat de normale lichaamstemperatuur bij honden rond de 38,2˚C ligt, met als grenswaarden 37,5˚C en 39˚C. Ongeveer 1 graad hoger dan bij mensen, maar net zoals bij mensen heeft iedere hond een “eigen” lichaamstemperatuur.

Een tip: neem de lichaamstemperatuur, polsslag (bijv. bij grote ader aan binnenkant achterbeen) en ademhaling van uw hond eens op als deze ontspannen aan uw voeten ligt. Als u deze ergens noteert kunt u deze vergelijken op het moment dat u denkt dat er iets niet helemaal in orde is met uw hond.

Er zijn enkele aandoeningen bekend die bij grote rassen en/of Zwitserse Witte Herders vaker voorkomen dan bij andere rassen. Onderstaande aandoeningen zullen wij op deze pagina bespreken. 

Door op een onderwerp te klikken gaat u rechtstreek naar het betreffende artikel.

Heupdysplasie

Inleiding
De meest voorkomende erfelijke aandoening bij de middelgrote en grote hond is heupdysplasie. Ook de Zwitserse Witte Herder valt onder deze categorie. In de jaren ‘80 van de vorige eeuw was het aantal honden met slechte heupen groot. Er werd weinig getest op deze aandoening, men wist niet beter. Sindsdien is er veel veranderd. In het begin van de jaren ‘90 begon men op een serieuze manier de honden te testen op afwijkingen van de heupen en ook begon men honden met erg slechte heupen uit te sluiten van de fokkerij.  Nu, tientallen jaren later, heeft deze selectie er mede toe geleid dat de heupen van ons ras aanzienlijk zijn verbeterd en HD langzaam maar zeker wordt teruggedrongen tot een aanvaardbaar niveau.  Steeds meer honden krijgen een goede uitslag tegenwoordig, maar het blijft noodzaak om de ingeslagen weg te blijven volgen voor nog betere resultaten in de toekomst. Daarnaast is een goede voorlichting naar de nieuwe pup eigenaren toe erg belangrijk, dit om er voor te zorgen dat de milieu omstandigheden – voeding en beweging –  van de  pup optimaal zijn en de pup zo gezond mogelijk kan opgroeien.Een pup moet dus een erfelijke aanleg hebben om HD te kunnen ontwikkelen, maar de omgevingsinvloeden zijn van groot belang voor de mate waarin de jonge hond HD zal ontwikkelen.

Het ontstaan van heupdysplasie
Iedere pup wordt met normale heupen geboren, de aandoening ontwikkelt zich tijdens de groei. Het heupgewricht is een kogelgewricht; de heup bestaat uit de kop (caput femoris) van het dijbeen die kan draaien in de heupkom (acetabulum), de gewrichtsbanden, het gewrichtskapsel en de omliggende spieren. Het heupgewricht vormt de verbinding tussen de achterbenen en het bekken. Bij normale gezonde heupen zit de kop stevig vast in de voldoende diepe heupkom. Beide delen zijn bekleed met wit en glad kraakbeen. Om het kraakbeen van beide delen goed om elkaar heen te laten glijden zijn de oppervlakken bedekt met een kleine hoeveelheid gewrichtsvocht. Deze vloeistof dient als smeermiddel en als voedingsbron voor het gewricht. De kop en de kom worden stevig op hun plaats gehouden door het gewrichtskapsel, de gewrichtsbanden en door de spieren van de achterhand. Bij een hond met aanleg voor HD is er sprake van te veel speling in het gewricht, waarbij het gewrichtskapsel en de omliggende banden onvoldoende stevigheid en steun geven. Door deze speling krijgt de opgroeiende hond geleidelijk aan een afwijkende groei en vorming van het heupgewricht. Een afgevlakte kop en een ondiepe kom zijn daarvan het gevolg. Dit veroorzaakt opnieuw meer speling aangezien de kop en de kom steeds slechter in elkaar gaan passen en heeft een overmatige slijtage (artrose) van het gewricht tot gevolg.

Goede heupen
Heupen van jonge hond met HD
Heupen van oude hond met HD en Arthrose


Omgevingsinvloeden
Men is er steeds meer van overtuigd dat de mate van erfelijkheid minder is dan in eerste instantie werd gedacht en dat omgevingsinvloeden veel zwaarder wegen dan aanvankelijk werd aangenomen.

Onder omgevingsinvloeden verstaan we:
* Beweging: ruw spel of te veel spelen met andere honden, het gooien met ballen of stokken waardoor de jonge hond gaat afremmen en vreemde draaien en sprongen maakt. Te lange wandelingen voor de leeftijd van de pup.
* Voeding: verkeerde voeding, dat wil zeggen het percentage calcium/energie per gram voer, te dikke honden.

Beweging
Bij de jonge hond vindt 80% van de skeletontwikkeling plaats in de eerste zes maanden. De eerste twee levensmaanden van de pup zijn bijzonder belangrijk voor de ontwikkeling van het gewrichtskapsel en de banden die nodig zijn voor de ondersteuning van het gewricht. Om in de eerste zes maanden de ontwikkeling van HD tot een minimum te beperken is het van groot belang om overbelasting van de banden en het kapsel te voorkomen. Hiervoor is een correcte beweging noodzakelijk. Onder correcte beweging verstaan we zoveel mogelijk rechtlijnige bewegingen. Geen overdadig ruw spel met volwassen honden en/of leeftijdsgenootjes. Balletjes en stokken gooien waar de jonge hond achteraan rent, afremt en rare draaien gaat maken zijn funest voor de ontwikkeling van de heupgewrichten. Met rustig wandelen en de duur van de wandeling geleidelijk aan opvoeren (ongeveer 5 minuten per maand leeftijd) behaalt men de beste resultaten. Moe is goed, oververmoeid beslist niet.

Sommige mensen denken dat de spieren van de achterhand van de pup getraind moeten worden. Natuurlijk is een goede bespiering noodzakelijk, maar start deze training niet voordat de pup 8 á 9 maanden is en dan niet langer dan vijf minuten per keer. Vanaf negen maanden mag de jonge hond naast de fiets meelopen. Ook dit moet rustig opgebouwd worden. Dit ook weer om overbelasting van het heupgewricht van de zeer jonge hond te voorkomen.

Voeding
Naast beweging speelt ook voeding een duidelijke rol bij de ontwikkeling van de heupen. Uit onderzoek is gebleken dat het optreden en de ernst van HD kan worden verminderd door de groeisnelheid van de pup te beperken. Dit kan door er voor te zorgen dat de voedselopname voor een gezonde groei wordt beperkt tot het noodzakelijke. Hoogwaardig, commercieel hondenvoer, zonder eigen toevoegingen van kalk of vitaminen is daarvoor het meest geschikt (dit kan bestaan uit hoogwaardige brokken voor grote rassen of KVV voor de honden die op vers vlees staan). Het lijkt erop dat het verstrekken van teveel kalk en vitaminen een ongunstige invloed heeft op het ziekteproces (zie % Calcium/energie per gram voer) en meer ook kans geeft op andere orthopedische problemen. Het is inmiddels bewezen dat zware en te dikke pups meer aanleg hebben voor het ontwikkelen van HD dan minder zware pups, die perfect op gewicht zijn. Liever iets aan de schrale kant dan aan de dikke kant.

Het röntgenologisch onderzoek

Om heupdysplasie en de ernst daarvan te kunnen vaststellen is een röntgenologisch onderzoek door een dierenarts noodzakelijk. De hond wordt hiervoor op de rug gelegd en de achterbenen worden parallel aan de tafel naar achteren getrokken, waarbij de knieschijven precies midden op het bovenbeen worden geprojecteerd. Daarbij kan er een indruk worden gekregen van de aansluiting c.q. speling van de heupgewrichten. Dit gebeurt door middel van meten en het daarna berekenen van de Norbergwaarde. Om de Norbergwaarde te kunnen berekenen, wordt van de beide heupkoppen het middelpunt bepaald. Deze middelpunten worden verbonden door een lijn. In beide heupgewrichten wordt vanuit dit middelpunt een lijn langs de voorste rand van de heupkom getrokken. De hoek die beide lijnen in het middelpunt van de heupkop met elkaar maken, minus 90º, geeft de Norbergwaarde van het desbetreffende heupgewricht. De Norbergwaarde van beide gewrichten bij elkaar opgeteld geeft de ‘som Norbergwaarden’, die op het rapport van de hond wordt vermeld. Tevens wordt er gekeken naar eventuele botafwijkingen of beschadigingen.

HD uitslagen kunnen variëren van een negatieve uitslag (dus vrij van HD)
tot zware HD:
* HD A
* HD B, zeer lichte botafwijking, soms een mindere aansluiting
* HD C, lichte botafwijkingen en/of een slechte aansluiting
* HD D, slechte aansluiting, botwoekering en/of vervorming van het heupgewricht
* HD E, ernstige botwoekering en vervorming van het heupgewricht

De röntgenfoto’s worden beoordeeld door een panel van de afd. Gezondheid, Gedrag en Welzijn (GGW) van de Raad van Beheer die de uitslagen tevens registreert. Het valt aan te bevelen om honden met een HD C uitslag uit te sluiten van de fokkerij. Een uitzondering daarop zou eventueel gemaakt kunnen worden in overleg met de rasvereniging indien de hond een verdere bijzondere bijdrage kan leveren aan het welzijn van een ras, bv door zijn speciale en vernieuwende bloedlijn, waarvan niet of nauwelijks andere honden beschikbaar zijn voor de fokkerij.

Elleboogdysplasie

Aansluitend op de bevindingen rondom heupdysplasie (HD) komen we bij een tweede erfelijke afwijking die ook op de Zwitserse Witte Herder van toepassing is, namelijk elleboogdysplasie (ED). Net zoals bij HD speelt de erfelijke factor een rol, hoogstwaarschijnlijk polygenetisch, echter bij het ‘al of niet’ ontwikkelen van ED zijn de invloeden van voeding en beweging van groot belang.

Volgens de laatste onderzoeken en bevindingen speelt de milieufactor een bijzonder grote rol in de ontwikkeling van ED bij de jonge hond en de ernst daarvan, deze is veel groter dan aanvankelijk werd gedacht. Ook hier zijn goede voeding en beweging belangrijk als het gaat om de hond vrij te houden van het ontwikkelen van de aandoening, ook als hij de erfelijke aanleg heeft meegekregen.

Uiteraard is het niet de bedoeling om alle blaam te werpen op milieu, maar wel is er de noodzaak om nieuwe pup eigenaren te doordringen van het belang de pup optimaal uit te laten groeien met de juiste voeding en de juiste beweging. Een (te) snelle groei en verkeerde beweging – overbelasting – zou het risico om ED te ontwikkelen vergroten. Ook is door onderzoek duidelijk geworden dat bij ouders met ED de pups een groter risico hebben om zelf ED te ontwikkelen. ED wordt tegenwoordig gezien als één van de meest voorkomende orthopedische problemen bij grote en middelgrote rassen. In feite is het een groeistoornis die op jonge leeftijd voorkomt en chronische kreupelheid kan veroorzaken.

a. humerus (opperarm)

b. radius (spaakbeen)

c. ulna (ellepijp)

d. processus anconeus

e. processus coronoideus

Wat is ED
De term “elleboogdysplasie” (ED) omvat een aantal onderling onafhankelijke afwijkingen die alle in het ellebooggewricht optreden en vooral voorkomen bij jonge honden van grotere rassen. Deze afwijkingen veroorzaken pijn en leiden uiteindelijk tot invaliderende osteoarthrose van het aangetaste gewricht.

Er zijn meerdere verschijnselen die onder de noemer ED vallen.

LPA: Los Processus Anconeus ; Tijdens de verbening treedt verval op van het kraakbeen, waardoor het processus anconeus losraakt.
LPC: Los Processus Coronoïdeus; Tijdens de verbening van het processus coronoïdeus op de leeftijd van 4 tot 5 maanden kan het losraken door een ontwikkelingsstoornis, overbelasting en/of overgewicht.
OCD: Osteochondrosis Dissecans; een los stukje gewrichtskraakbeen afkomstig van de humerus.
Inc: Elleboog Incongruentie; onder incongruentie van het gewricht verstaan we het hoogteverschil tussen de ellepijp en het spaakbeen.
Arthrose; de losse stukjes bot of kraakbeen in het geval van LPA, LPC of OCD irriteren het gewricht en veroorzaken pijn, gewrichtsontsteking en uiteindelijk osteoarthrose. Elleboog Incongruentie veroorzaakt schuifkrachten op en mogelijke losraking van het processus anconeus of coronoïdeus, met als gevolg LPA of LPC. Incongruentie veroorzaakt ook te zware belasting van een kleiner draagvlak van het gewricht, waardoor het kraakbeen wordt aangetast met als gevolg pijnlijke gewrichtsontsteking en uiteindelijk osteoarthrose.

Een hond met één aangetaste elleboog zal ergens tussen 4 en 6 maanden beginnen te kreupelen. Als beide ellebogen door ED zijn aangetast, dan zullen de enige indicaties waarschijnlijk een korte paslengte en een tegenzin om te rennen en te spelen zijn. Bij klinisch onderzoek kan men een licht gekraak horen of voelen als het gewricht wordt bewogen. LPA, OCD en Incongruentie kunnen zichtbaar gemaakt worden op drie verschillende radiologische opnamerichtingen. LPC is in de beginfase moeilijk te zien en wordt pas duidelijker zichtbaar als zich tekenen van osteoarthrose ontwikkelen.

Operatieve verwijdering van irriterende losse fragmenten (LPA, LPC, OCD) of operatief vastzetten van het LPA en chirurgische correctie van incongruentie zijn geïndiceerd in de meeste gevallen van milde osteoarthrose. Bij ernstige osteoarthrose van het ellebooggewricht is de prognose voor volledig herstel matig tot slecht. Niet-operatieve behandeling van osteoarthrose omvat verminderde dagelijkse inspanning, beperking van lichaamsgewicht en medicatie om kraakbeengroei te bevorderen, gewrichtsontsteking te remmen en pijn te verminderen.

De verschillende vormen van ED zijn enigszins rasgebonden; dat wil zeggen dat een bepaalde vorm van ED meer voorkomt bij een bepaald ras. Bij LPA ontstaat er een groot, niet vastgegroeid of verkeerd vastgegroeid botstuk aan de bovenzijde van het gewricht. Dit veroorzaakt instabiliteit waardoor de interactie tussen de humerus (opperarmbeen) en de elleboog verkeerd gaat. Met name de Zwitserse Witte Herder en zijn gekleurde broeder de Duitse Herder zijn gevoelig voor deze vorm van ED. Bij Rottweilers en Berner Sennenhonden ziet men vaker LPC, een klein stukje bot dat los zit aan de binnenzijde van het gewricht. Bij een aantal andere rassen waaronder de Labrador Retriever en de Golden Retriever, komen we vaak een mengbeeld van LPC en het loslaten van een stukje kraakbeen aan de binnenzijde van het gewrichtsvlak van de opperarm (medial condyle) tegen; dit noemen we OCD.

ED-0: perfecte ellebogen
ED-3: LPA, OCD en ernstige osteoarthrose

Symptomen
Honden met ED kunnen op jonge leeftijd kreupelheid vertonen; dit hoeft echter niet. Vooral als het om LPA, of een beiderzijds probleem gaat is er vaak geen sprake van kreupelheid. Soms wordt deze vorm van ED pas zichtbaar op een leeftijd van vijf tot zeven jaar, soms nooit. Deze kreupelheid kan tijdelijk of met tussenpozen zijn. Springen en snelle wendingen kunnen de kreupelheid tevoorschijn brengen en/of verergeren. Meestal is er ook een bewegingsbeperking en een lichte zwelling in de elleboog aanwezig. Die zwelling kan worden waargenomen door de elleboog aansluiting te betasten. Om ED en de vorm daarvan vast te stellen, is röntgenologisch onderzoek nodig. Op de foto’s zijn de vormen LPA en OCD het best waarneembaar. LPC is moeilijker te detecteren, omdat het botfragmentje zo klein is dat het wegvalt in de omliggende botstructuren van het ellebooggewricht. Dit is de reden dat de leeftijdgrens voor het maken van officiële ED foto’s bij Zwitserse Witte Herders vanaf 18 maanden is zodat met grotere zekerheid de diagnose betreffende LPC kan worden gesteld aan de hand van de al dan niet gevormde arthrose.

Behandeling
Zoals altijd geldt dat voorkomen beter is dan genezen. Voorkom een te grote voedselopname bij de jonge hond. Vermijd toevoegingen in de vorm van supplementen, kalk, mineralen, vitaminen.
Bij geconstateerde ED is het soms noodzakelijk om operatief in te grijpen om de losse botdeeltjes te verwijderen. De medische behandeling houdt in:
* het verminderen van teveel inspanningen en het voorkomen van oefeningen waarbij de hond veelvuldig op de voorhand belandt. Zwemmen is een goed alternatief om de hond onbelaste beweging te geven.
* het verminderen van overgewicht – vermageren – indien nodig. Het aan de schrale kant houden van de hond.
* het voorkomen van te snelle groei door een aangepast dieet, vooral voedingssupplementen zijn uit den boze.
* soms is het gebruik van pijnstillers nodig.
Honden zonder symptomen hebben geen behandeling nodig.

Tot slot:
Samenvatting Centennial Conference Dutch Kennel Club, 2 juli 2002.
Prof. Dr. H.A.W. Hazewinkel. Faculteit der Diergeneeskunde, Vakgroep Geneeskunde van Gezelschapsdieren, Universiteit Utrecht

HD en ED zijn beide stoornissen in de ontwikkeling van het snelgroeiende skelet, die samengaan met veel lijden voor de aangetaste honden en hun eigenaars. In risicorassen treden HD en ED veelvuldiger en in ernstiger mate op bij honden die worden grootgebracht op voer met een hoog vitamine- of mineralengehalte, op voer verrijkt met mineraal- of vitaminesupplementen, of wanneer het voedselaanbod onbeperkt is. Anderzijds kan een verlaagde inname van calcium (optimaal is 0,8-1,0% Ca/droge stof) en beperkte energieopname het optreden van HD en ED onderdrukken. De wijze van vererving, de lage erfelijkheidsgraad en de grote invloed van milieuomstandigheden (vooral dagelijkse voeding) op het optreden van HD en ED in genotypisch aangetaste dieren kunnen de redenen zijn dat fokdieren waarvan werd aangenomen dat zij vrij waren van HD en ED toch lijders onder hun nakomelingen hebben. DNA-testen dienen het toekomstige doel voor internationale kennelclubs en rasverenigingen te zijn. Nauwgezet en consequent testen van fokdieren en hun naaste verwanten en heldere internationale certificering van heup- en elleboogstatus zijn de belangrijkste punten voor de hedendaagse kynologie om verspreiding van de genen gerelateerd aan HD en ED binnen de risicorassen en daarmee het optreden van deze invaliderende stoornissen, tegen te gaan.

MDR1 Gendefect

Wat is MDR1 oftewel het Multi-Drug Resistance Gen1
Het MDR1 gen zorgt er voor dat het hersenweefsel en het centrale zenuwstelsel van de hond beschermd wordt tegen de opname van hoge concentraties giftige stoffen zoals bijvoorbeeld van bepaalde geneesmiddelen en/of wormenkuren die in de bloedbaan terecht komen. De functie van het MDR1 Gen is het vormen van een barrière tussen de bloedbanen en het hersenweefsel en centrale zenuwstelsel. Dit gebeurt door middel van het coderen van het P-glycoproteïne, een stof dat een onderdeel is van deze barrière en er voor zorgt dat de giftige stoffen terug gevoerd worden in het bloed en niet in het hersenweefsel terecht kan komen.

Al in de jaren tachtig wist men dat honden van bepaalde (Collieachtige) rassen een overgevoeligheid toonden voor geneesmiddelen met het bestandsdeel Ivermectine, een geneesmiddel ter bestrijding van wormen en parasieten. DNA testen voor honden bestonden nog nauwelijks en een verband met een gen, of het ontbreken daarvan was nog niet aan de orde. Sindsdien is er een enorme opmars gekomen naar en een enorme vooruitgang in DNA onderzoek. Daarbij heeft men kunnen vaststellen dat het ontbreken van het MDR1 gen de oorzaak is van overgevoeligheid, niet alleen voor de stof Ivermectine, maar ook voor een belangrijke lijst andere geneesmiddelen, waarbij de getroffen hond ernstig ziek kan worden en zelfs kan komen te overlijden na toediening van één van deze geneesmiddelen. Daarnaast is ook gebleken dat het ontbreken van dit gen een erfelijke aandoening is dat autosomaal recessief vererfd.

Defect MDR1-gen
Omdat een defect in het MDR1 gen een fout in het DNA is, is het een aangeboren en erfelijke aandoening, die de pup meekrijgt van zijn ouders. De hond krijgt 2 van deze genen (allelen) mee, 1 van zijn vader en 1 van zijn moeder. Krijgt de pup slechts 1 defect gen mee van één van zijn ouders, dan noemen we de pup een drager van het defect. Krijgt de pup van beide ouders het defecte gen mee dan is hij lijder. Een drager is nog steeds in staat om het stof P-glycoproteïne aan te maken, al is het in mindere mate, waardoor ook hij een lichtere mate van overgevoeligheid kan tonen. Ze zullen niet snel overlijden aan een normale dosis van de kwalijke medicijnen, maar wel kunnen ze neuro-toxische verschijnselen krijgen, zoals overmatig speekselen, braken en/of epileptische aanvallen. Lijders zullen in de eerste instantie dezelfde verschijnselen krijgen maar krijgen daarnaast spijsverterings- en ademhalingsstoornissen, kunnen in coma raken en uiteindelijk overlijden.

Rassen waarbij het defecte gen is aangetoond
Australian Shepherd, Border Collie, Schotse Herdershond, kruisingen van of met Collie-achtige rassen en aanverwante Collieachtigen, Sheltie, Old English Sheepdog (Bobtail), Longhaired Whipped, Silken Windhound en aanverwanten/kruisingen, Bearded Collie, Australian Cattle Dog en voor ons erg belangrijk, de Duitse Herder en de Zwitserse Witte Herder.

Lijst van geneesmiddelen die deze overgevoeligheid geven (deze lijst is niet volledig):
Deze lijst omvat de “Problem Drugs”, de geneesmiddelen waarvan is aangetoond dat ze problemen veroorzaakten bij honden met de MDR1 mutatie:

*  Acepromazine : verdovingsmiddel
*  Butorphanol : pijnstiller
*  Cyclosporine : ter onderdrukking van de werking van het immuunsysteem
*  Digoxin : ter versterking van de hartfunctie
*  Doxorubicin : celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren
*  Ivermectin : tegen parasieten zoals luizen, mijten en wormen
*  Loperamide : ter bestrijding van diaree
*  Vinblastine : celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren
*  Vincristine : celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren

en de “Potential Problem Drugs”, de geneesmiddelen die er ernstig van worden verdacht dat ze problemen zouden kunnen veroorzaken bij honden die de MDR1 mutatie hebben:

*  Domperidone : tegen misselijkheid en maagklachten
*  Etoposide : celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren
*  Mitoxantrone : celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren
*  Morphine : verdovingsmiddel, vooral pijnstiller
*  Ondansetron : ter bestrijding van misselijkheid en braken
*  Paclitaxel : celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren
*  Quinidine : tegen hartritmestoornissen
*  Rifampicine : antibioticum

In de Europese literatuur wordt nog een aantal geneesmiddelen aan de lijst van “Problem Drugs” toegevoegd:

*  Chinidine : ter bestrijding van hartritmestoornissen
*  Dexamethason : remt ontstekingen en onderdrukt allergische reacties
*  Ebastine : ter onderdrukking van allergische reacties
*  Grepafloxacine : antibiotica, ter bestrijding van infecties
*  Sparfloxacine : antibiotica, ter bestrijding van infecties
(Bron: Genetic Counselling Services)

Een DNA test voor MDR1
Er is tegenwoordig een goede DNA test beschikbaar om de honden te testen op het hebben of ontbreken van het MDR1 Gen. Honden waarvan beide ouders getest zijn en positief bevonden (MDR1 +/+), dus het defect NIET hebben, behoeven niet getest te worden, ook deze pups/honden zullen het defect niet hebben. Honden geboren uit een drager en een positief geteste hond kunnen drager zijn (MDR1 +/-) en pups geboren uit 2 dragers of een lijder kunnen tenslotte drager of lijder zijn (MDR1 -/-) Mocht u een hond/pup hebben van niet geteste ouderdieren dan is het raadzaam om de hond te laten testen op dit defect, ook als u geen enkele fokaspiraties of plannen hebt. Voor (toekomstige) fokhonden geldt dat zij conform het VFR getest dienen te worden, ongeacht de uitslag van ouderdieren.

De MDR1 DNA-test geeft dus drie mogelijke resultaten
Uw hond is “vrij” en heeft twee “gezonde” allelen: (MDR1 +/+)
De hond zal bij gebruik van risico-geneesmiddelen geen overgevoeligheidsreacties krijgen en kan de afwijking niet doorgeven aan de nakomelingen.

Uw hond is “drager” en heeft één “gezond” allel en een “defect” allel: (MDR1 +/-)
De hond zal het mutante allel aan de helft van zijn nakomelingen doorgeven. Dragers kunnen vergiftigingsverschijnselen krijgen bij toediening van een normale dosis loperamide (Imodium®) en van een aantal geneesmiddelen tegen kanker of bij toediening van een hoge dosis Ivermectine (meer dan 50 microgram per kilogram).

Uw hond is “lijder” en heeft dus twee defecte allelen: (MDR1 -/-).
Lijders geven het afwijkende allel door aan al hun nakomelingen in de volgende generatie en krijgen vergiftigingsverschijnselen bij toediening van risico-geneesmiddelen. Het zijn die dieren die de overgevoeligheidsreacties in hevige mate vertonen.

Belangrijke geruststelling!
Het is geruststellend te weten dat honden die dergelijke verkeerde genen bezitten, verder compleet gezonde honden zijn die helemaal normaal functioneren!

Zolang ze niet in contact met de genoemde stoffen komen zal er niets gebeuren. En met deze stoffen komen ze niet zomaar in contact (in voer bijvoorbeeld) – het zijn allemaal geneesmiddelen. Wanneer een dergelijke hond ziek wordt en bepaalde medicijnen nodig heeft, is het belangrijk dat gezocht wordt naar alternatieven.

Belangrijke waarschuwing
In de lijst kunt u zien dat een aantal middelen gewoon verkrijgbaar zijn bij de drogist of de dierenspeciaalzaak. We denken dan vooral aan Imodium® tegen diarree en het verdovende middel Acepromazine dat vaak wordt gebruikt voor bestrijden van vuurwerkangst of angst voor autorijden. U kunt deze stoffen dus zomaar zelf kopen en zonder goed advies aan uw hond toedienen. Het zal duidelijk zijn dat dit voor collie-achtigen een heel gevaarlijke onderneming kan zijn! Dus wat altijd geldt, geldt nu zeker: nooit medicijnen geven aan uw dier zonder een goed advies van uw dierenarts!

Doofheid

1: Het buitenoor bestaat uit de oorschelp en de gehoorgang, die uitmondt bij het trommelvlies. Na dit trommelvlies begint het middenoor.

2: Het middenoor bestaat uit 3 gehoorbeentjes: hamer, aambeeld en stijgbeugel. Deze geven de geluidstrillingen van het trommelvlies door aan het binnenoor. In het middenoor zit ook een verbinding van het middenoor met de keel (Buis van Eustachius). Door deze buis kan de luchtdruk aan beide zijden van het trommelvlies steeds gelijk gehouden worden.

3: Het binnenoor is met vocht gevuld. Hier worden de geluidstrillingen van de lucht in het slakkenhuis omgezet naar elektrische signalen. Deze signalen worden via de gehoorzenuw (nervus acusticus) verder getransporteerd naar de hersenen.

Doofheid bij honden kan verschillende oorzaken hebben; gedacht kan worden aan externe oorzaken zoals infecties of een met oorsmeer of een van viezigheid verstopte gehoorgang of beschadigingen aan het trommelvlies zodat de geluidsgolven de gehoorbeentjes niet tot trilling kunnen brengen. Ook trauma aan de schedel veroorzaakt door geweld kan doofheid veroorzaken. Andere oorzaken kunnen zijn beschadiging/ontsteking van het middenoor, beschadiging of onderbreking van zenuwweefsel waardoor het elektrische signaal niet naar en door de hersenen getransporteerd wordt. Dit kan voorkomen door b.v. hersenvliesontsteking, ongelukken, beschadiging door lawaai, ouderdom en gebruik van sommige medicijnen. Deze vormen van doofheid zijn niet van essentieel belang voor onze honden in de fokkerij; in dit artikel zullen wij ons uitsluitend toespitsen op de aangeboren ofwel congenitale doofheid bij de hond.

Congenitale- of aangeboren doofheid
De hond kan een aangeboren doofheid hebben, die kan ontstaan door afwijkingen aan het binnenoor, de zenuwen of de hersenen. Deze doofheid kan eenzijdig of beiderzijds voorkomen, waarbij vooral de eenzijdige doofheid moeilijk is vast te stellen. Al heel lang wordt aangeboren doofheid voornamelijk in verband gebracht met de kleur van de vacht – wit of grote delen wit – en/of blauwe ogen. Deze erfelijke sensorneurale vorm, die verbonden is met niet-pigmentatie ofwel hypopigmentatie/leukistische verantwoordelijke genen, wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de Merle of Piebald (kleur)genen. Daarentegen wordt doofheid nietwaargenomen bij albinisme.

Niet alle honden met Merle of Piebald genen zijn per definitie doof, maar deze honden vormen wel een risicogroep. Ook bij onze Zwitserse Witte Herder zijn er een aantal gevallen van congenitale doofheid bekend. Het is verstandig om niet te fokken met één- of beiderzijds dove honden; ook is het aan te bevelen om honden bestemd voor de fokkerij, zeker uit risicolijnen, te testen (BAER= Brain stem Auditory Evoked Response) op het gehoor. Verschillende fokkers testen de honden al op het Merle gen, wat op zich een zeer goede zaak is en uitermate interessant bij onderzoek naar doofheid binnen ons ras. Let wel, niet alle Merle honden zijn doof of geven dove nakomelingen! Honden die Homozygoot zijn voor het Merle gen zijn in de regel doof; honden die heterozygoot zijn voor het Merle gen hebben een verhoogd risico. Het is niet relevant om honden met Merle of Piebald genen automatisch te weren uit de fokkerij, het blijft dus zaak om de honden te testen met de BAER test en bij bewezen doofheid deze honden niet in te zetten.

De dove pup
Aangeboren doofheid ontstaat door degeneratie (verval) van de bloedtoevoer van het middenoor (cochlea) op de leeftijd van 3 à 4 weken. Het verval van de bloedvoorziening geeft verlies van sensorische haarcellen en leidt tot doofheid. De doofheid wordt veroorzaakt door afwijkingen in de cellen die de trillingen opvangen. Die cellen zijn vaak afwijkend als de pigmentcellen ook afwijkend zijn ten gevolge van de ontbrekende bloedvoorziening. Deze bloedvoorziening kan min of meer normaal zijn tot een leeftijd van ongeveer 4 weken, waarna deze afneemt. Deze afwijking wordt vooral waargenomen bij honden met een witte vachtkleur of grote delen wit in de vacht en/of blauwe ogen (Collie, Australische Herder, Dalmatische honden). Doofheid, vooral eenzijdige, is moeilijk waar te nemen, zeker bij de jonge pup die nog bij de moeder is.

Waarnemingen kunnen zijn:
*  De pup reageert niet op harde geluiden
*  De pup reageert alleen als hij u aankijkt
*  De pup draait de verkeerde kant op als u hem roept
*  De pup slaapt meer dan de andere pups
*  De pup wordt pas wakker als u hem aanraakt
*  De pup reageert pas ten gevolge van het gedrag van de andere pups
*  De pup loopt achter op de  geestelijke ontwikkeling van de andere pups zonder lichamelijke oorzaak

Doofheid kan dus verdacht worden aan de hand van waarnemingen in het gedrag van de betreffende pup(s). Absolute oorzaak van dit afwijkend gedrag kan slechts vastgesteld worden aan de hand van testen, na onderzoek op eventuele andere oorzaken zoals bijvoorbeeld een infectie. Bij verdenking van doofheid van één of meerdere pups is het een goede zaak om het voltallige nest (en de ouderdieren) te laten onderzoeken aan de hand van een BAER test

Baer test pup van 7 weken

De meting van BAER (Brain stem Auditory Evoked Response) – (bron N.A. Dijkshoorn)
De elektrische stroompjes die ontstaan bij het prikkelen van een zenuw, verplaatsen zich naar de hersenen. In de hersenstam zijn er knooppunten waar de zenuw overschakelt op één of meerdere andere zenuwen op zijn weg naar de gehoorkern in de hersenen. De hierbij optredende hersenactiviteit is op te vangen en na versterking zichtbaar te maken op een scherm of via een schrijver vast te leggen op papier. Hierbij is te denken aan een EEG (electro-encephalo-gram) waarbij ook hersenactiviteit wordt gemeten.

Het gehooronderzoek wordt in een speciale storingsvrije en voor de BAER-test daartoe ingerichte ruimte verricht. Bij de BAER-test wordt de hersenactiviteit opgewekt doordat het trommelvlies klikgeluiden opvangt. Deze klikgeluiden (1.000 kliks per minuut met een sterkte van 70 decibel) worden opgewekt door een machine en hoorbaar gemaakt met een koptelefoontje dat in de gehoorgang van een oor wordt aangebracht. Er worden drie dunne naalden, die met snoertjes verbonden zijn met de BAER-machine (de zogenaamde elektroden), onder de huid gestoken; een bij elke oorbasis en een midden op de kop.

De gemiddelde hersenactiviteit die meetbaar is nadat 1.000 kliks zijn aangeboden, vertoont een kenmerkend patroon van 5 pieken. Bij de beiderzijds horende hond vertonen de BAERs van beide oren een identiek beeld. Is een hond eenzijdig doof dan zijn de BAERs van die zijde sterk afwijkend. Beiderzijds dove honden hebben BAERs van min of meer vlakke registratielijnen. De geringe registratie bij de zijde van het dove oor van een eenzijdig dove hond is te verklaren doordat het niet dove oor de kliks waarneemt als het dove oor geprikkeld wordt, zodat de hersenen toch worden geprikkeld, maar door het andere, niet geteste oor.

Alleen de BAER-test wordt door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland en de Federation Cynologique International (FCI) erkend.
De resultaten van de test worden vastgelegd in een officieel onderzoeksrapport “Cochleaire doofheid”. 

Oogafwijkingen

Bij verschillende hondenrassen is oogonderzoek een verplicht onderdeel voordat er met de hond mag worden gefokt. Bij de Zwitserse Witte Herder is dat niet het geval. Hoewel het (nog) niet erg vaak voorkomt, komen er toch verschillende oogafwijkingen voor in ons ras. Het is daarom raadzaam om uw hond te laten testen alvorens ermee te fokken, zeker als gebleken is dat er eerder in de lijn honden voorkomen met een erfelijke oogafwijking. De test is vrij eenvoudig en de hond hoeft hiervoor niet onder narcose.

Opbouw van een oog

De hond wordt getest op de volgende erfelijke oogafwijkingen:
*  PPM = Membrana Pupillaris Persistens
*  PHTVL/PHPV=Persiserende Hyperplastische Tunica Vasculosa Lentis/Primair Vitreum
*  Cataract (congenitaal)
*  Cataract (niet congenitaal)
*  RD = Retina Dysplasie
*  Hypoplasie-/Micropapilla
*  CEA = Collie Eye Anomaly
*  Entropion/Trichiasis
*  Ectropion/Macroblepharon
*  Distichiasis/Ectopische Cilie
*  Cornea dystrophie
*  Lensluxatie (primair)
*  PRA = Retina degeneratie

Wat betekent de uitslag?

Vrij: De hond vertoont geen verschijnselen van de aangegeven, als erfelijk beschouwde oogziekte. Dit betekent niet dat de hond de afwijking niet kan doorgeven aan de nakomelingen. De hond kan immers drager zijn van de erfelijke ziekte. Ook is het niet uit te sluiten dat de hond de afwijking later zelf alsnog krijgt.

Voorlopig Niet Vrij: De hond heeft symptomen die behoren bij het ziektebeeld van PRA. Er worden dus afwijkingen gezien die passen in het klinisch beeld van deze, als erfelijk beschouwde, oogziekte. Voortschrijding (progressie) van het ziekteproces moet de diagnose bevestigen. Meestal wordt na een half jaar de hond opnieuw onderzocht.

Twijfelgeval (onbeslist): Zeer geringe afwijkingen, die mogelijk passen bij het klinische beeld van de erfelijke oogziekte; deze zijn echter onvoldoende specifiek. Twijfelgeval betekent niet dat de onderzoeker het niet weet! Er zijn wel degelijk afwijkingen van het normale beeld bij de hond aanwezig, maar ze zijn niet duidelijk genoeg aanwezig om de hond “niet vrij” te verklaren.

Niet Vrij: De hond vertoont de klinische symptomen van de erfelijke oogziekte.

Pannus ofwel Uberreiter’s syndroom, keratitis vasculosa et pigmentosa, of chronic superficial keratitis (CSK) – (Bron: Oogdierenarts Gerlinde Janssens)

Een andere oogafwijking die bij de Zwitserse Witte Herder voorkomt is Pannus. Pannus is een aandoening van het hoornvlies (cornea). Vooral bij Duitse Herders, Belgische Herders, verwante rassen en kruisingsproducten komt het voor. De letsels zijn beiderzijds, maar beide ogen zijn niet noodzakelijk aangetast. Het betreft een immuun-gemedieerde aandoening en UV licht zou een rol spelen bij het ontstaan van dit hoornvlies probleem. Ook het leven op grote hoogtes kan de aandoening duidelijk doen toenemen. Pannus kan niet definitief genezen worden, maar wel onder controle gehouden worden. De aandoening komt even vaak voor bij reuen als bij teven. De leeftijd waarop de aandoening tot uiting komt varieert van 3 tot 6 jaar en kan zelfs nog optreden na het 9e jaar. Honden die op grote hoogte leven of in gebieden met veel zonlicht wordt aangeraden een speciale bril te dragen om de ogen te beschermen tegen de UV stralen (zie foto).

Laska draagt een zonnebril ter bescherming tegen UV stralen - Pannus

 In het verloop van de  aandoening onderscheiden we 4 stadia:
* De pannus tenuis:
er is een witte waas, vooral in het laterale deel van het hoornvlies (dit is het deel van het hoornvlies tegenovergesteld aan de neuskant). Deze witting is het gevolg van het infiltreren van cellen
* Pannus vasculosus: er groeien ook bloedvaten in het hoornvlies. Ook een beetje pigment, donkerbruin tot zwart, migreert in het hoornvlies.
* Pannus en epaulette: wordt gekenmerkt door een verheven roos weefsel, (fibrovasculair weefsel) in het hoornvlies, vergezeld van pigment.
* Pannus siccus: is het laatste stadium. Dan treedt er vooral littekenvorming op. Blindheid is mogelijk als veel pigment en littekenweefsel het hoornvlies volledig ondoorzichtig maken.
Na oogonderzoek door de dierenarts, die controleert of het hoornvlies niet positief kleurt na fluoresceïne, kan gestart worden met oogzalven of –druppels, die cortisone bevatten. Soms wordt er cortisone onder het slijmvlies van de oogbol gespoten. Bestraling en bevriezing zijn andere mogelijkheden. Als het hoornvlies compleet ondoorzichtig geworden is, dan helpt alleen nog het chirurgisch weghalen van het buitenste deel van het hoornvlies. Snel nadien moet echter weer opnieuw met een lokale behandeling begonnen worden.

PPM (Membrana Pupillaris Persistens)
PM is een aangeboren afwijking waarbij restanten aanwezig zijn van weefsel dat normaal kort na de geboorte verdwijnt. De afwijking kan in zeer lichte mate voorkomen, zonder enig gevolg voor het gezichtsvermogen. In ernstiger gevallen zijn er wel nadelige gevolgen. Deze aandoening verslechtert niet; in feite is het vaak zo dat bij honden die als pup een milde vorm van PPM hadden, de PPM vermindert/verdwijnt, naarmate zij ouder worden. Bij een aantal rassen is het een bewezen erfelijke afwijking en kan het ook problemen voor het gezichtsvermogen geven. Er zijn verschillende verschijningsvormen van PPM. Zo kunnen ‘draadjes’ lopen van iris naar iris, van iris naar lens, van iris naar netvlies. Ook is het mogelijk dat het ‘draadje’ maar aan één kant vastzit. Deze verdwijnen over het algemeen naarmate de pup opgroeit. Het is daarom van belang om honden, die als pup niet geheel vrij zijn verklaard, voordat ze voor de fok worden ingezet na een jaar nogmaals te laten controleren.

PHTVL/PHPV (Persiserende Hyperplastische Tunica Vasculosa Lentis/Primair Vitreum)
PHTVL/PHPV is een, op zich, zeldzaam voorkomende, aangeboren oogafwijking. Als gevolg van een storing in de ontwikkeling blijven er restjes achter van het embryonale lensvaatnetje dat voor de geboorte de achterzijde van de lens van voedingsstoffen moest voorzien. Er blijven minieme restjes van het lensvaatnetje, ook na de geboorte zitten. Bij de ernstige vormen blijven er grotere delen achter en gaan zij tevens woekeren. Bij de ernstige vorm van deze oogafwijking komt dit altijd in beide ogen voor. Er blijft een laagje gepigmenteerd, gewoekerd littekenweefsel met vaatresten tegen de achterkapsel van de lens zitten. Daarnaast kunnen de lenzen aan de achterzijde conisch (kegelvormig) zijn misvormd. Bij de ernstige vormen heeft het proces een slechte invloed op de lensinhoud, waardoor deze langzaam troebel wordt (cataract). Dit cataract kan reeds bij de geboorte aanwezig zijn, waardoor de pups direct al blind zijn. Het kan ook gedurende het leven langzaam in ernst toenemen. De weg van het licht naar het netvlies wordt daardoor steeds meer geblokkeerd, de hond kan steeds minder zien en wordt langzaam blind.

Cataract (niet congenitaal)
Cataract of ook wel genoemd staar is een troebeling van de lens van het oog, waardoor deze ondoorlaatbaar wordt voor licht. Het toont zich doordat de zwarte pupil in het centrum van de gekleurde iris geleidelijk grijzig en later wit wordt. In het begin ontstaat hierdoor het beeld als bij het kijken door matglas, bij verergering zal geleidelijk volledige blindheid ontstaan.
Een enkele keer ontstaat staar al op jonge leeftijd, soms wordt het gezien als complicatie bij suikerziekte, maar in de meeste gevallen gaat het om honden met ouderdomsstaar. Bij honden zien we vanaf een leeftijd van 9 jaar dat de lens heel geleidelijk troebel wordt. Zeker in het begin heeft het dier daar nog geen last van. Pas na verloop van tijd kan merkbaar zijn dat de hond geleidelijk minder gaat zien. Volledige blindheid zien we vooral bij honden die 14 jaar of ouder zijn.

Cataract (congenitaal)
Dit is aangeboren grauwe staar. Reeds bij de jonge pup zijn troebelingen in de lens zichtbaar, die het gezichtsvermogen kunnen belemmeren.
Net als bij mensen is ook bij honden een staar operatie mogelijk. Bij het verloop bij oudere honden is dat meestal niet aan de orde. De mate waarin de hond door de kwaal wordt gehinderd, rechtvaardigt de operatie niet. Bij een jonge hond met staar ontstaat de blindheid vaak veel sneller, zodat het dier zich minder kan aanpassen. Bovendien is de last die het dier ervan ondervindt bij een jonge actieve hond veel groter. In dat geval kan een hond voor operatie verwezen worden naar een oogspecialist. Als bij controle blijkt dat het netvlies nog wel goed functioneert kan tot operatie worden besloten. Bij deze operatie wordt de ondoorzichtige lens verwijderd. Na een geslaagde operatie kan de hond weer zien, zij het met een minder scherp beeld.

RD (Retina Dysplasie) – (Bron: Dr. F.C. Stades, Dierenarts, specialist oogheelkunde)
Retina Dysplasie is een aangeboren netvliesafwijking. Hierbij zijn er plooitjes in het netvlies. Het aantal kan beperkt zijn (focale vorm), maar ook meer uitgebreide vormen komen voor (geografische en totale vorm). In de laatste gevallen is er sprake van beperking van het gezichtsvermogen. De afwijking komt bij meerdere rassen voor. Daar er bij de lichtste vorm vooralsnog geen afwijkingen in het gezichtsvermogen zijn geconstateerd, worden in het algemeen geen fokbeperkingen geadviseerd, behalve bij rassen waarbij de ernstiger vormen ook bekend zijn. De gevallen worden echter altijd wel geregistreerd. Dieren met de midden-, of geografische vorm van RD en zeker die met de ernstige vorm kunnen beter van de fokkerij worden uitgesloten. Ook directe familieleden kunnen beter niet worden gebruikt.

Hypoplasie-/Micropapilla
Bij de micro- en de hypoplastische, niet functionele, papil is de kop van de oogzenuw onvoldoende ontwikkeld wat zich uit in een vermindering van het aantal zenuwvezeltjes en zenuwcellen. Het gezichtsvermogen van een oog met een hypoplastische papil is vrijwel nihil.

CEA (Collie Eye Anomaly)
Dit komt vooral bij de Schotse Herdershond en de Shetland Sheepdog voor. Het is een aangeboren afwijking waarbij het netvlies, het vaatvlies en de oogzenuw betrokken kan zijn. De ernst van de afwijking bepaalt de mate waarin het gezichtsvermogen is aangetast. Het is een aandoening met veel variatie in manifestatie en ernst van de kenmerken. De twee meest opvallende zijn spleetvorming in de optische schijf of een abnormale ontwikkeling van weefsellaag onder de retina. CEA kan al op jonge leeftijd vastgesteld worden maar CEA verandert in de loop van het leven niet.

Entropion/Trichiasis
Entropion is het naar binnen krullen van de rand van het ooglid. Het kan hierbij gaan om het hele onderooglid of delen hiervan, alleen om de (binnen)ooghoek of om het bovenooglid. Iedere keer als de hond knippert, schuren de haren op de rand van het naar binnengekrulde ooglid over het hoornvlies. Dit veroorzaakt op den duur beschadigingen en ontstekingen.
Als een hond heeft veel last heeft van entropion is dat te merken aan het heftige tranen van het oog, lichtschuwheid, het afscheiden van slijm en pus, veel knipperen en het toeknijpen van de oogleden. Uiteindelijk kan het hoornvlies helemaal ondoorzichtig worden. Ook kan er een zeer pijnlijke hoornvlieszweer ontstaan; het doorbreken hiervan leidt in de meeste gevallen tot blindheid of zelfs tot verlies van het oog. Bij voorkeur moet een hond aan entropion geopereerd worden als zijn hoofd volledig is uitgegroeid, maar bij pups moet soms eerder ingegrepen worden om vergaande beschadiging van het hoornvlies te voorkomen.

Ectropion/Macroblepharon
Dit is een afwijking waarbij een ooglid (meestal het onderooglid) naar buiten draait. Het komt bij veel rassen voor. Wanneer het ooglid langs de neuskant is omgekruld, spreken we van mediaal ectropion. De hond traant en knijpt de oogleden meer toe, maar daar het niet goed sluit kan het oog uitdrogen. De slijmvliezen zijn roder. Het hoornvlies kan ontstoken raken. Wanneer de aandoening een tijdje bestaat, dan kunnen er bloedvaten, witte plekken (oedeem), pigment en soms sekwestervorming aanwezig zijn in het hoornvlies. Bij een lichte graad van ectropion wordt vaak enkel wat beschermende oogzalf voorgeschreven. In erge gevallen wordt de hond geopereerd. Er wordt een stukje huid weggenomen dicht bij de ooglidrand zodat die niet meer omkrult.

Distichiasis/Ectopische Cilie
Dit is abnormale haargroei in de ooglidrand en op andere plaatsen zoals in de bindvliezen. De haartjes kunnen door constante irritatie beschadigingen van het hoornvlies geven.

Distichiasis: enkele of vele haartjes op de vrije ooglidrand, ze komen door de openingen van de kliertjes van Meibomius heen, deze haartjes kunnen fijn en zacht zijn en veroorzaken dan geen irritatie; zijn de haartjes stug dan kan beschadiging van het hoornvlies optreden.

Ectopische Cilie: hierbij bevinden zich 1 of meer haartjes in een kliertje van Meibomius. Dit haar komt niet door de opening op de ooglidrand zelf naar buiten, maar wel door het slijmvlies van het ooglid heen waardoor dit haar het hoornvlies beschadigt. De ectopische cilie bevindt zich meestal in het midden van het bovenooglid.

Cornea Dystrophie
Bij deze aandoening wordt het hoornvlies (cornea) troebel door het ontstaan van neerslagen, meestal centraal op het hoornvlies. Er is dan in het midden een dof plekje zichtbaar. De hond heeft daar verder geen last.

Lensluxatie (primair)
Dit is het loslaten van de lens. Komt vooral voor bij kleine Terriërs en treedt meestal op rond de 4 jarige leeftijd. Een lensloslating kan een drukverhoging (glaucoom) in het oog veroorzaken en zo tot blindheid leiden.

PRA (Retina degeneratie)
PRA is een groep van netvliesafwijkingen die bij veel rassen voorkomt en tot blindheid leidt. Het begint meestal met slecht zien in het donker (nachtblindheid) en leidt uiteindelijk na enkele jaren tot volledige blindheid. Er bestaat geen behandeling voor PRA. PRA ontwikkelt zich bij veel rassen pas na het derde of vierde levensjaar. Voor die tijd is er aan de hond niets te merken en bij het oogonderzoek ook niet te zien. Voor een aantal rassen bestaat er nu een DNA-test, waardoor bij pups al is vast te stellen of de hond genetisch vrij is of dat er een kans is op dragerschap of lijderschap. De verwachting is dat deze ontwikkelingen de komende jaren zullen doorgaan.

 

Laska

Geraadpleegde artikelen en bronnen:
Raad van Beheer op Kynologisch Gebied
Veterinaire Specialisten Oisterwijk
Oogdierenarts Gerlinde Janssens
Veterinair Specialistisch Centrum De Wagenrenk

Rugafwijkingen

Binnen de Zwitserse Witte Herder populatie komen helaas een aantal rugaandoeningen met regelmaat voor. Naast diverse overeenkomsten tussen deze aandoeningen, zijn er ook grote verschillen op te merken die wij graag voor u op een rijtje zetten.

We beperken ons in dit artikel tot de volgende drie aandoeningen:
*  Cauda Equina Syndroom (CES) ook wel lumbosacrale stenose genoemd
*  Spondylose
*  Degeneratieve Myelopathie (DM)

CAUDA EQUINA SYNDROOM staat voor een vernauwing (stenose) van het ruggenmergkanaal resulterend in een beknelling van het laatste gedeelte van het ruggenmerg (de cauda equina). Deze bevindt zich bij de overgang van de lumbale wervels (lendenwervels) naar de sacrale wervels (bekkenwervels). Vandaar dat deze aandoening ook onder de naam lumbosacrale stenose bekend staat en in de volksmond een onderrugprobleem wordt genoemd.

CES kan een aangeboren of verkregen rugaandoening zijn, waarbij factoren als erfelijkheid en/of een genetische predispositie (aanleg) niet uitgesloten kunnen worden. De meest voorkomende oorzaak van deze vernauwing is een instabiliteit tussen de lumbale wervel en het sacrum. CES kan o.a. ook veroorzaakt worden door een hernia, een trauma, een ontsteking met abcesvorming of een tumor.

 

Op de MRI is bij de pijl duidelijk een vernauwing van het ruggenmergkanaal zichtbaar.

In een later stadium zal het lichaam proberen de instabiliteit te compenseren door extra bot te vormen, wat resulteert in een andere rugaandoening namelijk spondylose. De ene aandoening zal dus vaak gepaard gaan met de andere. We zien CES voornamelijk bij de grotere hondenrassen met een lange rug, waaronder ook bij de Zwitserse Witte Herder. De aandoening kan worden vastgesteld door een normale röntgenfoto, maar een duidelijkere diagnose kan worden verkregen door middel van een specialistische myelografie. Bij deze methode wordt contrastvloeistof in het ruggenmerg gespoten, waarna een röntgenfoto wordt gemaakt. In enkele gevallen is het noodzakelijk om een CT- of MRI scan te maken, omdat met deze methoden ook de meer complexe gevallen inzichtelijk kunnen worden gemaakt.

SPONDYLOSE is een aandoening waarbij er door slijtage van de tussenwervels beschadigingen ontstaan aan de rugwervels en er artrosevorming optreedt. Er ontstaat een verstijving van de wervelkolom als gevolg van het met elkaar vergroeien van de rugwervels door vorming van zogenaamde ‘haken’ en ‘bruggen’. Helaas is de aandoening vrijwel altijd op meerdere plaatsen aanwezig en kan deze zowel in de rug als in de nek voorkomen.

Alle wervels behoren ten opzichte van elkaar soepel te kunnen bewegen. Wanneer de tussenwervels slijtage gaan vertonen en minder flexibel worden, probeert het lichaam dit te compenseren door nieuw botweefsel aan te maken. Bij spondylose zorgen deze woekeringen als het ware dat de gewrichten met elkaar vergroeien. De aangroei van het bot aan de zijkant en onderkant van de wervels verbindt twee (of meer) wervels met elkaar. Door de starre haken en bruggen verliest de rug zijn flexibiliteit en wordt bewegen lastig.
De botuitsteeksels die ontstaan, kunnen bovendien leiden tot een verhoogde druk op omliggende weefsels zoals het ruggenmerg. Dit kan leiden tot veel pijn. In het algemeen is er zelden sprake van beschadiging van de zenuwen. Zenuwuitval wordt dan ook slechts sporadisch waargenomen, maar komt bij de Zwitserse Witte Herder juist weer wel wat meer voor. Spondylose wordt voornamelijk aangetroffen bij middelgrote en grote honden op gevorderde leeftijd. Voor spondylose kan er een genetische grondslag zijn, echter ook het bewegingspatroon kan een belangrijke factor zijn. Denk hierbij aan sporthonden en pups waarvan te snel, te veel gevraagd wordt. Deze honden kunnen de aandoening ook al op jonge leeftijd ontwikkelen.

Op een röntgenfoto van
een dier met behoorlijk
ernstige spondylose zijn de vergroeiingen duidelijk
zichtbaar ter hoogte van
de pijlen.

DEGENERATIEVE MYELOPATHIE is strikt genomen geen rugaandoening zoals CES en spondylose, maar een progressieve neurologische aandoening van het ruggenmerg zelf, mogelijk vergelijkbaar met Amyotrofe Laterale Sclerose (ALS) of Multiple Sclerose (MS) bij de mens, echter daarover bestaat onder deskundigen nog verschil van mening.

In het ruggenmerg lopen zenuwbanen die de spieren aansturen. Deze zenuwen liggen in bundels gegroepeerd in de zogenaamde ‘witte stof’. Bij DM wordt deze witte stof aangetast waardoor de isolatie (myeline) rondom de zenuwen verdwijnt en de zenuwen afsterven. Hierdoor wordt de aansturing van de spieren steeds minder met uiteindelijk verlammingsverschijnselen tot gevolg. De ziekte openbaart zich op een verraderlijk laat tijdstip: meestal wordt DM pas gediagnosticeerd op een leeftijd tussen 6 en 14 jaar, een leeftijd waarop de meeste fokhonden al voor nakomelingen hebben gezorgd. Genetisch gezien, wordt vermoed dat DM wordt veroorzaakt door een mutatie in het SOD1 (SuperOxide Dismutase 1) gen met een autosomale recessieve vererving. Echter wordt eveneens vermoed dat er mogelijk meer rasafhankelijke soorten DM zijn. Dit concludeerden onderzoekers nadat twee als drager geteste honden en één als vrij geteste hond alsnog DM ontwikkelden. Er wordt op dit moment hiernaar nog nader onderzoek gedaan.

Het stellen van de diagnose bij DM kan alleen maar door andere aandoeningen te elimineren door middel van een röntgenfoto, MRI-, of CT scan. Als daarmee geen afwijkingen zichtbaar worden en ook de klinische klachten daartoe aanleiding geven, moet men gaan denken aan DM. Het met zekerheid vaststellen van DM kan alleen gedaan worden door een patholoog na obductie van een overleden hond.

 

Deze afbeelding laat rechts het ruggenmerg van een gezonde hond zien en links dat van een hond die lijder was aan DM: het ruggenmerg is behoorlijk gedegenereerd (aangetast), wat duidelijk te zien is aan het verlies van de blauwe kleur.

De symptomen: samenvattend zien de symptomen van bovengenoemde aandoeningen er zo uit:

Behandelingen
Voor de verschillende vormen van rugaandoeningen zijn, afhankelijk van diverse factoren, een aantal reguliere en alternatieve behandelingen mogelijk. Sommigen zijn gericht op herstel, maar overwegend zijn de behandelingen gericht op levensverlenging en pijnbestrijding, zodat kwaliteit van leven gewaarborgd blijft. Voor specifieke en op het individuele geval toegesneden behandelingen verwijzen wij u uiteraard naar een specialist.

Perianale fistels

Hoe ontstaan Perianale Fistels (PF)
Over het algemeen wordt aangenomen dat, net als bij IBD (Inflammatory Bowel Disease), ook bij Perianale Fistels een immuniteitsprobleem de belangrijkste factor is voor het ontwikkelen van deze aandoening. Hoe PF ontstaat is niet echt bekend, hoogstwaarschijnlijk vindt het zijn oorzaak in een ontsteking van zweet en talgklieren in en rond de anus, grote en lekkende abcessen die uiteindelijk diepe gaten slaan rond de anus van de hond; wat vervolgens uitmondt in een gehele infectie van dat gebied, waarbij soms het slijmvlies van de anus en de endeldarm betrokken wordt. Chronische diarree en IBD zouden een aanleiding kunnen zijn tot het ontstaan van deze fistels waarbij de bacteriële infectie een secondair probleem is, maar ook een chronische ontsteking van de anaalklieren kan een bijkomende oorzaak zijn. Eveneens moet niet vergeten worden dat Perianale Fistels niet van buitenaf ontstaan maar vanuit de hond zelf, dus van binnenuit. PF is een erg pijnlijke, chronische en vaak moeilijk te behandelen aandoening, waarvan de prognose niet altijd heel erg goed is.

In principe kan iedere hond last krijgen van PF, hoewel overwegend de grotere rassen zoals verschillende Herdershondenrassen, Labradors en Retrievers vatbaar zijn. Maar vooral de Duitse Herders en de Zwitserse Witte Herders hebben de aanleg om PF te ontwikkelen, waarbij wordt gedacht dat de wijze van de staartaanzet en dracht van de staart één van de voornaamste redenen zou kunnen zijn. PF komt vooral voor bij al wat oudere honden en ook vaker bij reuen dan bij teven, maar ook zo nu en dan bij hele jonge honden.

Symptomen:
Diarree of constipatie
Extra inspanning bij het ontlasten
Verandering van kleur of geur van de ontlasting
Bloed in de ontlasting
Likken en bijten rond de anus
Gebied rond de anus wordt donkerder van kleur, is rood en/of gezwollen
Incontinentie
Lusteloosheid, verandering in gedrag van de hond
Gebrek aan eetlust, gewichtsverlies
Extreme pijn bij het opheffen van de staart

Diagnose
Het stellen van de diagnose vereist een uitgebreid onderzoek. Bij het lichamelijk onderzoek wordt snel duidelijk dat het om PF gaat, waarbij ook de binnenkant van de anus, het rectum en de anaalzakjes worden onderzocht om te kijken of deze bij de ontsteking betrokken zijn. Ook de lichamelijke geschiedenis van de hond wordt bekeken en onder lichte verdoving wordt een kleine hoeveelheid van het abnormale weefsel chirurgisch verwijderd en onderzocht om de diagnose te bevestigen.

Behandeling
PF is een chronische aandoening die vaak terug kan keren, soms na maanden of jaren. De ziekte kan bijna altijd onder controle gekregen worden met medicijnen. Hiervoor wordt het medicijn Cyclosporine gebruikt, eventueel in combinatie met een ander medicijn, Ketoconazol, zodat er minder Cyclosporine nodig zal zijn. Ook kan er gekozen worden voor een behandeling in combinatie met Prednison. Soms is een aanvullende antibioticumkuur nodig om de klachten tegen te gaan. Een enkele keer wordt er gekozen voor een operatieve behandeling, maar dat is alleen mogelijk als het aangetaste gebied niet te uitgebreid is en de fistels ter hoogte van de anaalzakjes zitten. We spreken dan ook wel van een anaalklierprobleem en de anaalzakjes worden operatief verwijderd. Ook een combinatie van een operatieve behandeling en een medicamenteuze therapie is in sommige gevallen een optie. Betreft het echter puur een immuun problematiek en bevinden de fistels zich ver verwijderd van de anaalzakjes, dan is de prognose van een chirurgische ingreep matig tot slecht en zal er over het algemeen gekozen worden voor een medicamenteuze behandeling.

Perianale Fistels en het MDR1 Gendefect
Wat is het MDR1 Gendefect
Het MDR1-gen zorgt voor de productie van P-glycoproteïne, een stof die ervoor moet zorgen dat allerlei toxische stoffen slechts in geringe concentraties in de hersencellen kunnen voorkomen. Honden met een MDR1 gendefect kunnen de stof P-glycoproteïne niet maken, waardoor bepaalde stoffen die voor komen in een aantal medicijnen niet uit de hersencellen geweerd kunnen worden. Hierdoor wordt de concentratie van deze stoffen in de hersencellen zo hoog dat ze giftig kunnen worden en voor problemen zorgen.

*  Gezond: twee normale MDR1 allelen (+ / +)
Geen overgevoeligheid voor bepaalde geneesmiddelen.
*   Drager: een normaal en een defect MDR1 allel (+ / -)
Kan de medicijnovergevoeligheid wel doorgeven aan zijn/haar nakomelingen, maar hebben zelf geen last van medicijnovergevoeligheid.
*  Lijder: twee defecte MDR1 allelen (- / -)
Deze dieren hebben een overgevoeligheid voor een aantal medicijnen en kunnen ernstig ziek worden en zelfs komen te overlijden bij het innemen van deze medicijnen.

Een dubbel probleem

Ons ras behoort bij de risicorassen voor het eventueel drager zijn of hebben van het MDR1 gendefect. We weten inmiddels dat we dragers en lijders in onze populatie hebben. Krijgen we nu te maken met Perianale Fistels en het betreft dan ook nog eens een lijder van het MDR1 gen defect, dus een hond met de uitslag MDR1 -/-, dan krijgen we te kampen met een dubbel en zeer ernstig probleem. De medicijnen die gebruikt worden bij de behandeling van PF behoren tot de lijst met medicijnen die ernstige problemen kunnen veroorzaken bij de lijder van het MDR1 gen defect. Veel andere opties om PF onder controle te krijgen zijn er niet en homeopathische behandeling is over het algemeen maar zelden effectief.

Mocht de hond met PF niet getest zijn op MDR1 dan is het testen van de hond het eerste wat er gedaan moet worden. Krijgt de hond een MDR1 +/+ , of MDR1 +/- uitslag dan is er niets aan de hand en kan de hond (dus ook de drager!) goed behandeld worden met de bestaande medicijnen.

Prognose
Hoe sneller Perianale Fistels ontdekt en behandeld worden hoe beter de prognose zal zijn. Helaas is het een ernstige en hardnekkige ziekte die, hoewel in eerste instantie succesvol is behandeld, uiteindelijk toch weer kan terugkeren. Bij ernstige gevallen en/of bij een chirurgische ingreep kan een blijvende incontinentie en vorming van littekenweefsel ontstaan. In het ergste geval zal de hond een leven lang medicijnen moeten krijgen, wat vaak een dure kwestie is.

Gebruikte literatuur:
AID en PF -Dierenkliniek Causus.
IBD & PF Veterinary Services Department,
PF, Drs. Foster & Smith-Inc.
Dierenartsenbibliotheek – Dr. A. Westerhuis.

Kanker

Een plaag van onze tijd?

Wat is kanker
Mijn hond heeft kanker. We horen het steeds vaker en houden ons hart vast bij de gedachte dat onze hond misschien kanker heeft of zal krijgen. Inmiddels weten we dat kanker bij de hond doodsoorzaak nummer één is. 50% van de oudere honden ontwikkelt een vorm van kanker. Dat is veel en verontrustend. Maar niet alleen de oudere hond is vatbaar, ook jonge- en zelfs zeer jonge honden kunnen kanker krijgen; waarvan vaak een zeer agressieve en snelgroeiende vorm.

Maar wat is kanker nu eigenlijk? Is kanker altijd dodelijk of is er behandeling en misschien zelfs genezing mogelijk? Er zijn verschillende vormen van kanker, waarvan de ene vorm agressiever en dodelijker is dan de ander. Alle vormen van kanker hebben altijd een gemeenschappelijk kenmerk, dat van een ongeremde celgroei. Een ongecontroleerde vermenigvuldiging van lichaamscellen die hun normale functie hebben verloren. Deze cellen kunnen zich bevinden op één vaste plaats en een zwelling vormen, een tumor. Er zijn goedaardige tumoren en kwaadaardige- dus kankertumoren. Het verschil is dat een goedaardige tumor zich op één plek bevindt en daar ook blijft, het drukt zich tegen organen of weefsel zonder deze binnen te dringen. Een kwaadaardige tumor daarentegen is veel agressiever en dringt zich verwoestend tot diep in de omliggende weefsels en organen om zich te verspreiden via de bloedvaten naar andere delen van het lichaam. Is er sprake van bloedkanker, dan zweven de kankercellen door de bloedvaten van het hele lichaam maar vormen geen tumoren.

De gevolgen voor het lichaam en de mogelijkheid van behandeling hangt van een aantal factoren af. Het belangrijkste is uit wat voor soort cel een tumor voortkomt en wat voor type tumor het betreft. Dat is bepalend voor de verdere eigenschappen zoals de groeisnelheid en de mate waarin de tumor zich zal uitzaaien en mede bepalend voor een kans op behandeling, het type behandeling, een langere levensduur na behandeling en eventueel genezing van de hond. Sommige tumoren laten zich nu eenmaal makkelijker behandelen dan andere. De meest gebruikelijke behandelmethoden bij de hond zijn chirurgie, chemotherapie, bestraling en immunotherapie.

Wat zijn de symptomen van kanker
De symptomen van kanker zijn zeer uiteenlopend, gezien de complexiteit van de ziekte en de diverse vormen van kanker. Hieronder een aantal van de meest voorkomende symptomen. Mocht u bij uw hond één van deze symptomen waarnemen dan is het zaak om niet onmiddellijk in de stress te schieten en te denken: oh jee… mijn hond heeft kanker. Wat wel verstandig is, is om met de hond naar de dierenarts te gaan voor onderzoek. Immers, een vroegtijdige diagnose is een belangrijke factor voor een succesvolle behandeling en geeft de meeste kans op een eventueel herstel.
* Abnormale zwellingen die niet verdwijnen, maar zelfs groeien
*  Wonden die niet willen genezen
*  Een snel groeiende (dik wordende) buik
*  Gewichtsverlies
*  Abnormaal veel eetlust of juist een slechte eetlust
*  Bloeding of afscheiding uit een lichaamsopening
*  De hond stinkt of geeft een slechte geur af
*  De hond neemt minder beweging, staat moeizaam op, stijfheid
*  Verlies van uithoudingsvermogen, constant mank lopen zonder aanwijsbare reden
*  Moeite met ademen, veel hijgen in ruste, hoesten en/of niezen
*  Moeite met plassen en/of poepen
Het komt regelmatig voor dat de symptomen er wel zijn, maar niet of nauwelijks waargenomen (kunnen) worden. De hond is al een dagje ouder en heeft niet zoveel uithoudingsvermogen meer, logisch dat hij meer slaapt. Hij heeft wat last van zijn heupen of rug dus staat moeizamer op en is wat stram en stijf geworden. De hond was aan de dikke kant en is op dieet gezet, hoera het dieet slaat aan, de hond heeft een goed gewichtsverlies. Het is niet zo moeilijk om in dit bos dan de kankerboom niet te ontdekken en als symptoom waar te nemen. Helaas maakt dat ook, dat bij veel honden kanker pas in een zeer laat stadium ontdekt wordt en een gedegen behandeling niet altijd meer haalbare kaart is. Vaak sterft de hond binnen 3 maanden na het ontdekken van de kankertumoren en kan een behandeling slechts gericht worden op pijnbestrijding om nog enigszins zinvol te zijn.

De diverse oorzaken van kanker zijn:
*  Genetische afwijkingen als gevolg van mutaties in het DNA. Je kunt dan denken aan een verhoogde gevoeligheid voor bepaalde typen van tumoren bij een bepaald ras. Bijvoorbeeld bij de Witte Herder komt met regelmaat hemangiosarcoma (milttumor) voor, ook lijkt ons ras gevoelig voor het ontwikkelen van darmkanker.
*  Chemische stoffen die het DNA kunnen beschadigen, zoals gifstoffen in het milieu, onkruidbestrijding etc. of bepaalde voedingsingrediënten in hondenbrokken. houdbaarheidsstoffen en/of kleurstoffen e.d.
*  Hormonen, die een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van tumoren aan geslachtsorganen en prostaat, de melkklieren, de baarmoeder, de schildklier en ook botten. Melkkliertumoren zijn bij de teef de meest voorkomende kankergroep en een belangrijke doodsoorzaak op latere leeftijd. Ook anti- loopsheid middelen (synthetische progestagenen) of chemische castratie van de reu verhogen het risico op het verkrijgen van kwaadaardige tumorvorming.
*  Ioniserende straling, zoals gamma of röntgenstraling, of radioactieve straling. Ook Ultraviolette straling kan bepaalde huidtumoren tot gevolg hebben.
*  Direct contact met verschillende vreemde stoffen; te denken valt aan inentingen met bepaalde vaccins of medicijnen, vreemde lichaam-reacties door materiaal dat in het lichaam achterblijft, zoals platen of schroeven bij breuken of stukjes hout na trauma. Er kan een uitgebreide ontstekingsreactie ontstaan ten gevolge van de specifieke stoffen welke kan leiden tot bepaalde typen tumoren.

De meest voorkomende vormen van kanker bij de hond
Huidkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij de hond. Gelukkig is huidkanker vaak een goedaardige vorm die over het algemeen goed en snel te genezen is. Vaak zijn de gezwellen op de huid en/of wratten operatief goed te verwijderen en komen in de meeste gevallen ook niet meer terug.

Een lymfoom daarentegen is de meest voorkomende kwaadaardige vorm van kanker bij honden. Lymfomen zijn kwaadaardige gezwellen in de lymfeknopen en andere organen zoals milt en lever. Ook het lymfevatenstelsel en zelfs de mondholte kan aangetast worden, zoals ook de neusholte en de wang, waarbij de tumor richting hersenen kan gaan. Bij de teefjes komen borsttumoren het meeste voor en bij reuen is het de prostaat die gevoelig is.

Diagnose stelling
Om een juiste diagnose te stellen zal de dierenarts verschillende tests verrichten. Als eerste zal hij de hond aftasten op bultjes, verdikkingen of kuiltjes. Als hij tumorweefsel kan voelen zal hij monsters nemen van het tumorweefsel met behulp van een dunne naald of door het wegnemen van een gedeelte van de tumor (biopsie – onder narcose). Dit gebeurt met name bij tumoren in het spijsverteringskanaal of de urinewegen door middel van endoscopie. Dit monster wordt naar de patholoog gestuurd voor microscopisch onderzoek. Ook zal hij bloedmonsters nemen om de bloedcellen te onderzoeken en te kijken of en in hoeverre er stoffen aanwezig zijn die het gevolg kunnen zijn van weefselbeschadiging, veroorzaakt door kanker. Daarnaast kan röntgenfotografie en echografie worden gebruikt voor het stellen van een diagnose. Allereerst wil de arts weten met wat voor type tumor hij te maken heeft, de grootte van het gezwel en of deze is afgegrensd van de omgeving. Hoe diep zit de tumor en is er sprake van uitzaaiingen naar andere delen of organen in het lichaam. Uitzaaiingen (metastasen) zeggen iets over de kwaadaardigheid van de kanker en ook over het type behandeling dat het beste aansluit op die specifieke vorm van kanker.

Behandelen of niet?
Tegenwoordig is kanker bij de hond in vele gevallen leven rekkend te behandelen en in enkele gevallen zelfs te genezen. In veel gevallen kan de groei van het kankerweefsel vertraagd/geremd worden voor enige tijd. Bijvoorbeeld: een hond met een lymfoom die niet behandeld wordt heeft nog een levensduur van 1 a 2 maanden. Dezelfde hond die wel behandeld wordt kan een levensduur van gemiddeld 200 dagen krijgen. Daar bestaan verschillende behandelmethodes voor, waarvan sommigen pijnlijk, ziekmakend en stressvol zijn voor de hond. De vraag is; is het zinvol en wat willen we ermee bereiken. Is de hond ermee gebaat, kan hij nog een tijd een hond waardig bestaan leiden of wordt het een lijdensweg die slechts de baas behaagt omdat hij de hond niet kan missen. Als eerste kijken we dan naar de kansen, de algehele conditie van de hond en zeer zeker ook de leeftijd, waarbij je soms moet bedenken dat zeker een oude hond niet behandelen een stuk barmhartiger kan zijn voor de hond. Dat is een vraag die sterk individueel is en bij elke hond en ieder mens verschillend zal zijn. Niemand kan u vertellen wat het beste is, dat kunt u slechts zelf bepalen aan de hand van de kansen en goede voorlichting daarover die u van uw dierenarts krijgt (behoort te krijgen). Daarnaast zijn er de kosten van de behandeling die behoorlijk kunnen oplopen en de vraag is of u dat kunt bekostigen, zeker als de hond niet verzekerd is. Dat in acht nemend is het aan u wat u er mee doet en waar u voor kiest en deze keuze is ontstellend moeilijk. Soms moet er zelfs besloten worden om niet alleen niet te behandelen, een enkele keer is het onontkoombaar om de hond geen verdere lijdensweg te geven en uiteindelijk te euthanaseren, wat zeker bij een jonge hond uitermate dramatisch en ingrijpend is voor de eigenaar.

Behandelingsmethodes
*  Chirurgie is de meest gebruikte en snelste methode om een tumor weg te nemen. Bij enkele vormen van kanker kan het orgaan in zijn geheel worden weggenomen zonder dat de hond hinder of problemen krijgt; bijvoorbeeld bij tumoren in de milt of van de testikels. Als dit niet mogelijk is wordt er een gedeelte van de tumor verwijderd zodat de hond nog een periode een redelijk goed leven kan hebben zonder al te veel hinder van de overgebleven resten van het kankergezwel. Na het operatief verwijderen van de tumor kan aansluitend hierop naar een ander type nabehandeling gekeken worden.
*  Chemotherapie ofwel cel remming; via een infuus rechtstreeks in de bloedbaan worden er bepaalde chemische stoffen of combinaties van bepaalde stoffen ingespoten die de vooral snel delende cellen doden. Ook gezonde delen zoals beenmerg, darmen en andere organen worden hierdoor aangetast, dus de conditie van de hond moet goed zijn om dit te kunnen verdragen. Mensen die in de omgeving van de hond verkeren moeten hier voorzichtig mee om gaan omdat direct contact met deze stoffen ook hun gezondheid ernstig kan schaden.
*  Prednison ofwel hormonaal: Bijnierschorshormonen of corticosteroïden remmen met name in combinatie met andere middelen de groei en ze verminderen de ontstekingsreactie rondom de tumor.
*  Bestraling als enige of als aanvullende behandeling is goed mogelijk voor diverse tumoren.
*  Bevriezing of afkoeling door vloeibare stikstof (Cryotherapie): kleine huidprocessen, zoals wratten, worden bevroren en gedood. Helaas kunnen ook de gezonde omgevingscellen aangetast worden.
Daarnaast zijn er tal van andere invalshoeken voor het behandelen van kanker, waaronder immuuntherapieën, waarbij specifieke antistoffen gebruikt worden tegen tumorantigeen.

Kortom er zijn goede mogelijkheden om veel typen kanker te behandelen, meestal om de hond een zo normaal mogelijk leven te laten leiden zolang hij behandeld wordt en/of leven verlengend, doch ook om definitief te genezen.

Kankercachexie
Een tumor gebruikt glucose als energiebron, maar ook de hond gebruikt glucose als energiebron. Omdat de tumor veel van deze energiebron verbruikt moet de hond meer lactaat omzetten in glucose. Dit kost de hond veel van zijn energiereserves. Ook zetten de kankercellen aminozuren (de bouwstenen van eiwitten) om in glucose. De hond verliest dus erg veel eiwitten aan de tumor, wat kan leiden tot afname van de spiermassa en ook het immuniteitssysteem kan aantasten, gezien antistoffen uit eiwitten bestaan. Dit leidt uiteindelijk tot langdurige schommelingen in het metabolisme van de hond. Deze schommelingen, maar ook onaangepaste voeding en bijwerkingen van de behandeling, zoals misselijkheid en aantasting van gezonde weefsels, kunnen leiden tot kankercachexie. Kankercachexie is een extreme vorm van verhongering, de hond verliest zijn vetreserves en spiermassa en lijkt uitgemergeld. Deze honden voelen zich echt ziek en de kwaliteit van het leven is sterk verminderd. Daarnaast reageren ze minder goed op de behandeling en is de levensduur sterk gedaald ten aanzien van de behandelde honden met een gelijkwaardige vorm van kanker, maar die geen kankercachexie ontwikkelen. De hond zal extra vetten moeten krijgen om niet op termijn al zijn weerstand kwijt te raken. Ook al is de kanker met succes verwijderd en is er in principe geen sprake meer van kanker , storingen in het metabolisme van de hond blijven altijd bestaan.

Tot slot
Kanker is een rotziekte, een plaag die veel verdriet en pijn brengt. Of het van onze tijd is? Gedeeltelijk waarschijnlijk wel gezien onze levensstijl en de vervuiling van de aarde en het voedsel. Aan de andere kant heeft het misschien altijd bestaan maar wisten we het niet omdat de mogelijkheid tot diagnose nog niet aanwezig, of slechts zeer gering was, zeker bij onze viervoeters.

De behandeling is een kwestie van mogelijkheden en van keuze, een moeilijke keuze die niet overhaast genomen kan worden, zodat u uw hond het beste kunt geven gezien de miserabele omstandigheden en die u rust kan geven met de gedachte het beste gedaan te hebben voor de hond en voor u.

Geraadpleegde literatuur
Onze Hond 2004: Tumoren bij de hond van Maarten Kappen
Samenwerkende Diergeneeskundige Kankercentra
Dierenkliniek de Ottenhorst Terneuzen
Stichting Ficca
Honden encyclopedie
Diverse andere websites

 

IBD of Inflammatory Bowel Disease

Chronische ontsteking van het maagdarmstelsel
Wat verstaan we onder IBDInflammatory Bowel Disease of IBD is een verzamelnaam voor (chronische) ontstekingen in de wand van het maagdarmkanaal, waarbij de ontsteking zich kan bevinden in de maag, de dunne darm en/of dikke darm. Langzaam maar zeker worden de darmen minder efficiënt, wat de vertering en opname van de voedingsstoffen aanzienlijk vermindert , met als eerste symptomen braken en diarree en in een later stadium vermagering. De eerste symptomen zijn vaak dusdanig vaag dat een diagnose soms maanden en zelfs jaren later pas wordt gesteld, over het algemeen op een moment dat de hond ernstigere klachten en symptomen begint te vertonen.

Diagnose
IBD op zich is geen specifieke diagnose, aangezien er verschillende vormen van IBD zijn, gekarakteriseerd door het type cel dat de ontsteking veroorzaakt en de plaats waar de ontsteking zich bevindt. De meest voorkomende vorm van IBD komt van Lymfocyten en Plasmacyten, cellen welke direct verantwoordelijk zijn voor de reactie van het immuunsysteem van het lichaam. De Eosinofiele vorm is een ander type cel dat zich in de maagdarmwand kan nestelen, minder vaak voorkomend maar wel ernstiger van aard dan Lymfocyten. Dan is er nog de Neutrofiele vorm; cellen die verantwoordelijk zijn voor het bestrijden van bijvoorbeeld bacteriën of het opruimen van aangetast weefsel (een zeldzaam voorkomende vorm van IBD). Uiteindelijk, bij een chronische ontsteking, kan normaal weefsel vervangen worden door vezelachtig weefsel (op littekenweefsel lijkend). Het type cellen dat zich in de maagdarmwand nestelt is dus bepalend voor het type IBD dat aanwezig is en de ernst van de ziekte.

ibd aangetaste darmwand

Het stellen van de juiste diagnose is erg lastig omdat allereerst andere ziekten met gelijkwaardige symptomen uitgesloten moeten worden aan de hand van onderzoek. Je kunt dan denken aan bacteriële infecties, parasieten, voedingsallergie of intolerantie, vreemde voorwerpen in het maagdarmkanaal, een slecht werkende alvleesklier of ziekten van andere organen zoals de nieren, lever of schildklier en ook tumoren kunnen aan de orde zijn. Een endoscopisch onderzoek en het afnemen van een darmbiopt is vaak noodzakelijk om zekerheid te verkrijgen.

Behandeling
De behandeling van honden met IBD bestaat hoofdzakelijk uit een speciaal, licht verteerbaar, hypoallergeen dieet. Dit dieet bevordert het herstel van beschadigde weefsels en de normale lichaamsfuncties. Ook ontstekingsremmende medicijnen (corticosteroïden) zullen noodzakelijk zijn. Als de hond sterk vermagerd is dan kan toevoeging van extra kleine vetten, die zonder vertering in het bloed worden opgenomen uitkomst bieden om de hond weer op gewicht te krijgen en energie te geven.

Prognose
IBD kan onder controle gehouden worden maar niet genezen! De hond zal een leven lang dieetvoer moeten houden. Soms kan het medicijngebruik worden verminderd/afgebouwd totdat de hond deze niet meer nodig heeft. De meest gemaakt fout echter is het te snel verminderen en stoppen met de ontstekingsremmende medicatie. Het zich strikt houden aan het dieet en medicijngebruik en een regelmatige controle van de dierenarts is dan ook noodzakelijk. De meeste IBD honden kunnen jarenlang een normaal en gezond leven leiden, sommige honden kunnen met regelmaat terug vallen en blijven medicijnen nodig houden. Een enkele keer gebeurt het dat de hond slecht tot nauwelijks reageert op de behandeling en het dieet en in zeldzame gevallen, bij een ernstige vorm van IBD, kan de chronische ontsteking uiteindelijk leiden tot darmkanker.

Gebruikte literatuur:

IBD by Michican Vetrinary Specialists.
Inflammatory Bowel Disease in Dogs by Dr. Donna Spector.
IBD & PF Veterinary Services Department,